'Wie daar zegt : mooi,
schept tegelijk: niet-mooi,
Wie daar zegt: goed,
Schept tegelijk : niet- goed
Bestaan bepaald : niet bestaan,
verward bepaald : eenvoud,
hoog bepaald : laag,
luid bepaald : zacht,
bepaald bepaald : onbepaald,
nu bepaald : eens
zaak aan het licht:
Ik ben werkzaam, zonder te werken,
Ik spreek, zonder te praten
Ik draag alle dingen in mij in eenheid vervat.
Ik breng voort maar bezit niet,
Ik voltooi leven, eis geen welslagen.
Omdat ik niet eis,
lijdt ik nooit verlies.'